Geen titel beschikbaar

Achttien keer heb ik de titel aangepast. Maar ik weet niet wat de titel is. Ik weet ook niet welke kant dit stukje op zal gaan. Ik heb zin om iets leuks te schrijven. Maar ik ben nu eenmaal zwartgallig, een tikkie pessimistisch en het glas is meestal half leeg bij mij. Nu komt dat laatste vooral omdat ik heel hard kan drinken. Het stukje dat hierna kwam heb ik ook al een keer of vijf gewist. Ik heb zoveel om over te schrijven. Zo weinig te zeggen.

De wind waait om het huis heen. De regen klettert tegen het dakraam. Mijn hand glijdt over de rand van het bureau. Het hoekje is er af. Halverwege kom ik een buts tegen. En daarna nog één. Het randje is niet glad. Het is beschadigd. Het valt niet op. Tot je er met je vinger langsgaat. Allemaal kleine deukjes, nauwelijks zichtbaar. De beschadigingen zitten er. Het valt je pas op als je er met aandacht naar kijkt. Maar het functioneert. Prima zelfs. Tot nu toe is geen van mijn devices door het bureau gezakt. Of er af gevallen. Alhoewel ik een talentje heb voor het laten vallen van (dure) spullen. Het liefst in badwater. Goed, ik vergelijk mezelf nu dus met een bureau. Ik functioneer. Helemaal prima zelfs. Ik ben moeder, vrouw, student en werknemer. Oh nee, dat laatste sinds kort niet meer. Ik draai in elk geval mee in de maatschappij. Maar van dichtbij zie je dat ik beschadigd ben. Nauwelijks waarneembaar. Maar als je met je vingers over de rand gaat, dan weet je het.

En nu ga ik schrijven over mooie dingen. Het is rumoerig in mijn huis. Veel te rumoerig naar mijn zin. Dat komt omdat mijn lieve ouders er zijn. Sinds september waren ze hier niet meer geweest. Af en toe trek ik me terug. Vanwege de prikkels. Maar vooral omdat ik ze de tijd gun met hun kleindochter, die ze vooral vanachter een scherm zien opgroeien. Haar lach galmt door het huis. Mijn bonusvader heeft mij opgevoed als zijn eigen dochter. Hij houdt van me. En ik hou van hem. De band met hem is zoveel sterker dan die met mijn biologische vader. De liefde die ik voor hem voel is enorm. We spreken het (bijna) nooit naar elkaar uit. Maar als we elkaar in de ogen kijken zien we de liefde. We hebben een bijzondere band. Dat we biologisch gezien geen verwanten zijn doet daar niets aan af. En nu heeft hij een kleindochter. Een beetje onhandig houdt hij haar vast. Maar hij pakt haar op als ze verdrietig is. Hij zingt liedjes met haar. Hij speelt met haar. Hij leert haar ondeugende dingen. Zoals het hoort. Mijn moeder, daar moest ze 2 dagen aan wennen. Elke blik van haar werd beantwoord met een gekrijs. Ze kroop weg bij haar ouders. Mijn bonusvader daarentegen, die sloot ze in haar hart toen hij afgelopen zaterdag een voet over de drempel zette.

En nu ga ik nog meer over hem vertellen. Die geweldige man in mijn leven. Er zijn veel verrotte mensen in het leven. Sommige zijn vader. Anderen zijn stiefvader. Of kinderloos. Maar verrotte mensen heb je altijd. Mijn vader kan ik je weinig goeds over vertellen. Maar deze geweldige man die in mijn leven kwam toen ik nog maar 8 jaar oud was. Hij en ik hebben iets bijzonders. Ik stel me voor dat de band tussen vader en dochter zo zou zijn. Maar dat zal ik nooit weten. Want ik weet niet hoe een gezonde band tussen vader en dochter is.

Jij

Jouw DNA stroomt niet door mijn bloed en toch, toch schuilt er een deel van jou in mij. Het bewijs dat liefde verder gaat dan biologische verwantschap, dat ben jij. Je leerde me lachen. Die ene keer moest je zo hard lachen, toen ik een pan liet vallen en de hele vloer beschadigd was. Heel boos werd ik. Op jou. Je moest lachen. Je was niet boos. Niet omdat ik het had laten vallen en ook niet omdat de vloer beschadigd was. Je kon alleen maar lachen. Ik was gewend aan boosheid. Anticiperen op het gedrag van de ander. Maar met zo’n vrolijke reactie op zoiets onhandigs, daar kon ik niet mee om gaan. Boos dat ik was. Maar jij, jij leerde me lachen.

Je leerde me wat rechtvaardigheid is. Je bent vrij zwart-wit. Dat heb ik van jou, denk ik. Maar jij bent zoveel beter dan ik. Als je ergens voor staat, dan sta je er voor. Nooit zal je iemand je vrouw of kinderen (en ja, die kinderen zijn niet biologisch) met één vinger aan laten raken. Het mag je eigen moeder zijn, die iets zegt. Je staat voor ons. Oneerlijkheid, ongelijkheid; daar kun je niet tegen. Je leerde me wat goed en fout is. Die wijze lessen van jou, daar wilde ik nooit naar luisteren. Want ik was nogal opstandig. Een vader had zijn kind misschien de deur gewezen. Maar jij, jij zei tegen mijn moeder dat deze aanpak misschien niet de beste was. Je omringde me met liefde. Ik duwde heel hard, tegen alles om me heen. En toch was je er. Je bleef er.

Je plakte banden. Bracht me naar mijn bijbaantje. Kocht een megazwembad voor me. Je bakte eindeloos patat voor me. Verse, want minder, daar deed je het niet voor. Speklapjes, daar was ik dol op. Je maakte alles voor me wat ik wilde, want je bent de beste klusser. Toen ik van de ene op de andere dag op straat kwam te staan, stond je er met de auto. Al mijn spullen verhuisde je terug. En laatst leerde ik dat er thuis een gebaar was. Voor mij. Voor de band tussen jou en mij. Als ik je aankeek met die ogen van mij en iets aan je vroeg. Dan stak mijn moeder achter mijn rug om haar wijsvinger de lucht in. Het gebaar betekende: “ ze windt je om de vinger, pas op”. Want dat is wat ik deed. Blijkbaar. Doen alle dochters dat niet?

Je bent ondeugend. Een boefje. Je hebt pretoogjes. Ze stralen. Heb ik dat van jou? Ik weet dat het niet in mijn genen kan zitten. Maar ik heb het allemaal. Je praat veel. Te veel. Ik praat veel. Veel te veel. Je humor is ad rem. Ik ben niet zo gevat. Meestal ben ik serieus. En wordt er toch heel hard om me gelachen. Als mensen je mijn vader noemen, ben ik stiekem trots. Nooit zal ik je papa noemen. Maar als jij in de winkel staat en je opschept over je dochter. Ja, dan voel ik me gelukkig. Jij hebt me laten zien wat onvoorwaardelijke liefde is. Wij zijn niets van elkaar. En toch zijn we alles. Er is geen bloedband. Onze band is sterker dan een bloedband. Want dat kan. Ik weet het. Alles zou je doen voor mij. Ik denk dat je je leven zou geven voor me. En jouw kracht? Je hebt nooit een vader voor me willen zijn. Misschien schrijf ik je op een dag een brief. Opdat je weet wat we nooit uitspreken naar elkaar.

Ik heb dezelfde ogen
En ik krijg jouw trekken om mijn mond
Vroeger was ik driftig
Vroeger was jij driftig
Maar we hebben onze rust gevonden
En we zitten naast elkaar
En we zeggen niet zoveel
Voor alles wat jij doet
Heb ik hetzelfde ritueel

Papa, ik lijk steeds meer op jou

6 gedachten over “Geen titel beschikbaar”

  1. Prachtig.
    Mijn gevoel zegt, dat je zou hem geen groter cadeau kunnen geven dan deze woorden – op een of andere manier – met hem te delen.
    Voor dat het eventueel te laat kan zijn.

      1. Volg je hart, het weet de weg.

        En afgaande op zoals je het omschreven hebt in je blog hoef je er geen angst voor te hebben. Het ontvangen van een cadeau als dat kan weinig tegen op.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *